Erfelijkheid

Het ontstaan van de erfelijke aanleg voor Lynch syndroom 

Ons lichaam is opgebouwd uit cellen. In de kern van deze cellen zit ons erfelijk materiaal, ook wel het DNA genoemd. DNA wordt onderverdeeld in genen. Het zijn deze genen die de hoofdrol spelen in erfelijkheid want zij bevatten alle informatie voor de erfelijke eigenschappen. Zo zijn er bijvoorbeeld genen die bepalen welke bloedgroep u heeft of welke kleur van ogen. 

Onze genen erven we van onze ouders. Bij de bevruchting krijgen we één set genen van vader mee (via de zaadcel) en één set genen van moeder (via de eicel). Vandaar dat we dus elk gen dubbel hebben. In de loop van ons leven kunnen er echter allerlei veranderingen optreden in dit erfelijk materiaal. Wanneer er zo’n foutje optreedt in een gen, dan spreken we van een mutatie. Een mutatie kan ertoe leiden dat het gen niet meer goed werkt. Soms is zo’n foutje al vanaf de bevruchting aanwezig en hebben we het van één van onze ouders meegekregen. Dit foutje is dan aanwezig in al onze lichaamscellen. Dit is het geval bij Lynch syndroom. Van bij de bevruchting is een foutje aanwezig in bepaalde genen In geval van Lynch syndroom zijn er ondertussen 5 genen bekend waarvan men weet dat een foutje of mutatie in deze genen Lynch syndroom kan veroorzaken nl. MLH1, MSH2, MSH6, PMS1 en PMS2. Het gaat hier om genen die normaal de spontane DNA-foutjes herstellen die kunnen ontstaan in het erfelijk materiaal. Als dit herstel niet meer goed verloopt, zorgt dit voor een hoger risico om in de loop van het leven poliepen te krijgen, die kunnen ontaarden in kanker.

Hoe wordt deze erfelijke aanleg doorgegeven?

Lynch syndroom  wordt overgeërfd van een ouder die de aandoening heeft. Elk kind, jongen of meisje, van een ouder met Lynch syndroom heeft 50% kans – of 1 kans op 2 - om de mutatie die de aandoening veroorzaakt, over te erven. Deze manier van overerving wordt ook wel “autosomaal dominante overerving” genoemd. (zie tekening). Wanneer men de mutatie niet heeft overgeërfd, kan men het ook niet doorgeven aan de kinderen.

Soms komt het ook voor dat iemand Lynch syndroom krijgt zonder dat het voordien voorkwam in de familie. Deze personen zijn dan de eerste personen die de aandoening hebben en zij hebben dan een “nieuwe mutatie”. Op hun beurt kunnen ze echter deze mutatie weer doorgeven aan hun kinderen.

Het opsporen van de erfelijke aanleg

Wanneer men op basis van de familiale voorgeschiedenis voor kanker een erfelijke aanleg voor Lynch syndroom vermoedt, kan men onderzoeken of er een mutatie in één van bovengenoemde genen aanwezig is. In een eerste fase is het mogelijk om tumorweefsel van een familielid dat dikkedarmkanker heeft (gehad) te laten onderzoeken. De dikkedarmkankers die worden veroorzaakt door foutjes in de genen die een rol spelen bij Lynch Syndroom, hebben namelijk speciale eigenschappen. Dit tumorweefselonderzoek dient als voorselectie en kan meer informatie geven of verdere DNA-analyse (bloedonderzoek) zinvol is. Zie voor meer uitleg hierover de volgende rubrieken.